Een bedelaar in de straten van New York: armoede is geen exclusief probleem van de ontwikkelingslanden. Ook in het rijke Westen leven sommige mensen op de rand van het bestaansminimum. In ontwikkelingslanden is de situatie nog veel schrijnender, ondanks het eerste milleniumdoel dat in 2000 in VN-verband is overeengekomen: het percentage mensen dat in extreme armoede leeft, moet in 2015 met de helft zijn teruggebracht. Onder extreme armoede wordt verstaan dat iemand minder dan een dollar per dag te besteden heeft.
Onder invloed van de globalisering lijkt de extreme armoede te zijn teruggedrongen. In 1990 leefde 29% van de wereldbevolking van minder dan een dollar per dag, in 2004 was dit gedaald tot 18%. De vooruitgang is echter ongelijk verdeeld over de wereld. Met name in China en India, de twee economische grootmachten in opkomst, is de armoede sterk gedaald. Ook in de Sub-Sahara is sinds kort sprake van economische groei. Hoewel het percentage extreme armen daar licht daalt, stijgt door de snelle bevolkingsgroei hun absolute aantal.
De welvaart is geografisch oneerlijk verdeeld, maar ook binnen samenlevingen. Veel ontwikkelingslanden kennen een elite die het goed gaat, terwijl daarnaast grote groepen mensen in extreme armoede leven. Mensen op het platteland zijn vaak armer dan stedelingen. Bovendien geldt dat vrouwen – zeker in ontwikkelingslanden – economisch kwetsbaarder zijn dan mannen. Een belangrijke factor in de bestrijding van armoede is dan ook het terugdringen van economische ongelijkheid binnen een land. In sommige staten wordt wel economische vooruitgang geboekt, maar gaat de situatie van de armsten er ondertussen alleen maar op achteruit. De Wereldbank heeft uitgerekend dat er voor ieder mens vijftien euro per dag beschikbaar zou zijn, als al het geld wereldwijd eerlijk verdeeld zou worden.
Nederland kent geen extreme armoede. Wel is een polarisatie waarneembaar. De kloof tussen de allerarmsten en allerrijksten wordt groter. Het aantal Nederlanders dat een beroep moet doen op de Voedselbanken neemt bijvoorbeeld toe. Aan de andere kant lijkt er geen bovengrens te zitten aan de topinkomens die in het bedrijfsleven en ook in de publieke sector worden betaald.



