Tijdens de presentatie van het rapport Identificatie met Nederland van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in september 2007 hield prinses Máxima een toespraak die veel stof deed opwaaien. De ophef concentreerde zich rond een eenvoudig feit dat zij in die rede constateerde, namelijk dat ‘de’ Nederlandse identiteit niet bestaat. Zij haalde ook haar schoonvader, prins Claus, aan die eerder had gezegd: “Ik weet niet hoe het is Nederlander te zijn. Ik heb verschillende loyaliteiten en ik ben wereldburger en Europeaan en Nederlander.”2
Wat is dat: een wereldburger? Het WRR-rapport staat in het kort bij die vraag stil. Schrijvend over globalisering en over de betekenis van dit proces voor de nationale identiteit, merken de auteurs op: “In het verlengde van de jaren zeventig werd globalisering lange tijd positief tegemoet getreden met ideeën over kosmopolitisme en wereldburgerschap. Vooruitlopend op een mondiale toekomst werd het nationale als achterhaald afgedaan. Internationale oriëntaties en wereldburgerschap hadden lange tijd een positieve klank in Nederland. Inmiddels is duidelijk dat het antwoord op globalisering niet kan zijn dat wij nu allemaal kosmopolieten zijn.” Tot nu toe bleek het vooral een keuze van de elite om zich een kosmopolitische identiteit aan te meten, aldus de WRR. “Een groot deel van de bevolking zoekt zijn zingevende kaders en houvast op een lager geografisch niveau: dat van de staat, de regio of zelfs de stad.”3
Wereldburgerschap betekent inderdaad niet dat identificatie met het eigen land achterhaald zou zijn – allesbehalve. Het gaat wel om kennis van en betrokkenheid bij de wereld buiten Nederland. Dat staat andere identificaties niet in de weg; het komt er juist op aan naar verbindingen te zoeken. Prins Claus stond bekend om zijn oprechte betrokkenheid bij vraagstukken van armoede in de wereld en voelde zich tegelijkertijd ook Nederlander. Voor NCDO is wereldburgerschap al geruime tijd een centraal begrip in haar onderwijsactiviteiten. Ook dan gaat het niet alleen om betrokkenheid van jongeren bij mondiale vraagstukken, maar tevens om hun participatie in de pluriforme maatschappij in eigen land. Zo bezien is wereldburgerschap de internationale dimensie van betrokkenheid bij de samenleving.
Uiteindelijk gaat het om eenvoudige, maar niet altijd gemakkelijke dingen: een bewustzijn dat zich uitstrekt tot buiten de grenzen van de lokale of nationale gemeenschap, inzicht in internationale ontwikkelingen, empathie met en respect voor mensen uit andere delen van de wereld, reflectie op de vele verbanden tussen de persoonlijke situatie en de omstandigheden elders, en de bereidheid daar conclusies aan te verbinden. In allerlei bewoordingen is door tal van auteurs een dergelijke attitude van wereldburgerschap bepleit.4
Elitair?
Naar onze mening is er niets elitairs aan wereldburgerschap. Betrokkenheid bij de internationale samenleving is in Nederland altijd gangbaar geweest. In opdracht van NCDO doet bureau Motivaction regelmatig onderzoek naar de ideeën van Nederlanders over armoedebestrijding en andere mondiale thema’s. In 2008 gaf bijna de helft van de ondervraagden geld aan organisaties die zich inzetten voor ontwikkelingssamenwerking. Ongeveer tweederde van de steekproef steunde de omvang van het nationale budget voor ontwikkelingssamenwerking.5 Uit ander onderzoek weten we dat Nederlanders iemand als een ‘goede burger’ zien die maatschappelijk betrokken is.6 Op basis van deze onderzoeksgegevens valt aan te nemen dat niet alleen betrokkenheid bij de eigen samenleving, maar ook verbondenheid met de wereld als geheel in de ogen van de Nederlandse bevolking geldt als een nastrevenswaardig doel en als iets heel normaals.
De associatie van ‘elitair’ hangt eerder aan het andere begrip dat de WRR in zijn rapport gebruikt: kosmopolitisme. De schrijvers halen auteurs aan die kosmopolitisme “een zaak en een voorrecht van een internationale elite” noemen of zelfs “het provincialisme der verwenden”.7 Toch is er ook aan kosmopolitisme – een diep besef van universele waarden en rechten – niets elitairs. Wat wel elitair is, is zichzelf kosmopolitisch noemen omdat men veel geld heeft en veel van de wereld heeft gezien. Dan wil men zich als ‘kosmopoliet’ onderscheiden van mensen die het dichter bij huis moeten zoeken. Met wereldburgerschap heeft zoiets weinig te maken. Aan een internationale groep jongeren werd eens gevraagd of een rijk en bereisd persoon per definitie een wereldburger is. Nee, zo luidde het unanieme antwoord; het gaat om betrokkenheid bij wat er in de wereld gebeurt, nabij en veraf.8
Je kunt moeilijk tegen zo’n houding zijn. Dat de WRR toch voorzichtig afstand nam van de begrippen wereldburgerschap en kosmopolitisme, hangt samen met de vaak verkeerde toepassing van deze termen. Daardoor zijn ze in een slecht daglicht komen te staan. Het gaat dan om groepen in de samenleving die sterk profiteren van de huidige fase van globalisering, die mobiel zijn en weinig of geen binding hebben met de lokale (en nationale) gemeenschap waar zij toevallig deel van uitmaken. Zij hebben een internationale horizon en weten in het kielzog van de globalisering persoonlijke rijkdom te vergaren, terwijl anderen geconfronteerd worden met de negatieve gevolgen van privatisering en afslanking van de verzorgingsstaat.9 Als zulke bevoorrechte groepen ten onrechte worden afgeschilderd als wereldburgers of kosmopolieten, dan is het begrijpelijk dat deze termen als ‘elitair’ worden gezien. Het moge duidelijk zijn dat wereldburgerschap in dit rapport niet in deze zin wordt opgevat.
Eenzijdige beeldvorming
Mondiale betrokkenheid wordt in belangrijke mate gevoed door besef van wat in de wereld gaande is. Voor de moderne burger staan tal van kanalen ter beschikking om zich de benodigde kennis en inzichten eigen te maken. Toch is de vraag aan de orde of de bestaande informatievoorziening wel adequaat is voor de totstandkoming van een evenwichtige beeldvorming. Laten we hiertoe drie belangrijke bronnen van informatie langslopen: het onderwijs, de media en maatschappelijke organisaties.
Allereerst het onderwijs. Nederland heeft goede schoolboeken en goed opgeleide leraren, ondanks terechte discussies over erosie in het opleidingsniveau van docenten, met name in het basisonderwijs. De aanleiding voor het opstellen van een historische canon was echter de constatering dat het historisch besef van de Nederlanders zwak is. Goede docenten en leermiddelen zijn blijkbaar geen garantie voor een brede kennisbasis. De kans is groot dat het met het mondiaal besef net zo is gesteld als met het historisch besef. De overheid schrijft scholen steeds minder voor waarover lessen moeten gaan, ook die lessen die moeten bijdragen aan een kennisbasis van mondiale verhoudingen. Als binnen zeer globale kerndoelen eigenlijk ‘van alles’ aan bod kan komen, dan is algauw alles even belangrijk en dus ook even onbelangrijk. Kerndoelen zetten geen accenten. Kerndoelen zetten er ook niet toe aan om bestaande beelden over bijvoorbeeld armoede en ongelijkheid bij te stellen, terwijl zo’n voortdurende aanpassing vereist is in het huidige tijdperk van globalisering. Hoewel Nederland een sterke traditie heeft in maatschappelijk georiënteerde schoolvakken en ontwikkelingseducatie, blijft het gissen of scholen daadwerkelijk evenwichtige beelden van de nieuwe internationale werkelijkheid overdragen aan jongeren. Er zijn weinig harde gegevens beschikbaar. Ook het Noord-Zuid Centrum van de Raad van Europa heeft hierop gewezen in zijn rapport over mondiale vorming in Nederland. Wat we wel weten is bijvoorbeeld dat leerlingen van basisscholen gemiddeld een tamelijk simplistisch en stereotiep beeld hebben van ‘arme landen’.10 Dergelijke gegevens zouden ons aan het denken moeten zetten: het onderwijs slaagt er blijkbaar onvoldoende in eenzijdige beelden bij te stellen.
De media zijn in algemene zin een rijke bron van informatie voor de wereldburger. De kwaliteitskranten die achtergrondinformatie bieden over mondiale ontwikkelingen, kennen echter een relatief klein lezerspubliek. Voor veel Nederlanders is de televisie de belangrijkste bron van maatschappelijke informatie. Maar in toenemende mate wordt informatie over ontwikkeling, duurzaamheid en mensenrechten op tv ‘licht’ gebracht en verpakt in amusement. Dat brengt het gevaar met zich mee van versimpeling en onbedoeld vertekende beeldvorming.11 Het internet is daarnaast een vrijwel onuitputtelijke bron van feiten en meningen over internationale vraagstukken. Er zijn echter geen gegevens bekend over de mate waarin Nederlandse burgers het internet actief gebruiken om zich als ‘wereldburger’ te oriënteren.
De klassieke maatschappelijke participatie in de vorm van lidmaatschap van kerken, vakbeweging of politieke partijen neemt af, zoals herhaaldelijk is aangetoond door het Sociaal en Cultureel Planbureau. Langs die lijn nemen dus minder mensen informatie tot zich over internationale thema’s. Daar staat tegenover dat lidmaatschappen van ideële organisaties – ook op het vlak van internationale solidariteit – een stijgende lijn vertonen. Het gaat daarbij vaak om ‘chequeboek-solidariteit’, een van de vele uitingsvormen van wat we tegenwoordig praktisch idealisme noemen.12 Met praktisch idealisme, de drang om vooral iets te willen dóen ter oplossing van de wereldproblemen, is niets mis zolang de maatschappelijke aandacht voor een evenwichtige beeldvorming en voor diepergravende analyses maar niet verwatert. In ieder geval spelen in dit opzicht de klassieke instituties een minder belangrijke rol.
Al met al is de oriëntatie van mensen op de internationale samenleving sterk van karakter veranderd en daar komt bij dat de internationale context zelf ook voortdurend verandert. Een evenwichtige oriëntatie op het lot van de mensheid wereldwijd kan op de achtergrond raken in een tijd waarin individualisering, het nastreven van eigenbelang (en de belangen van de eigen kleine kring) en calculerend burgerschap krachtige trends zijn. Het versterken van het draagvlak voor internationale betrokkenheid en solidariteit vereist daarom continue aandacht en gelukkig is die aandacht er ook. Voor NCDO is het een kerntaak. Een mooi voorbeeld is de masterclass die NCDO een aantal jaren heeft georganiseerd over draagvlakversterking. Tal van maatschappelijke organisaties hebben hiermee hun expertise kunnen verruimen. Het project is daarnaast uitgemond in een praktisch georiënteerd boek.13 Ook in het onderwijs is voortdurende aandacht voor wereldburgerschap nodig. In dat kader passen de Vensters op de wereld die in dit rapport worden gepresenteerd.
Ethische dimensie
Onderwijs: dat is waar het in de meeste artikelen en websites over wereldburgerschap of global citizenship over gaat. Internationaal wordt het onderwijs gezien als misschien wel de belangrijkste plaats om een basis te leggen voor wereldburgerschap: dus voor kennis van, belangstelling voor en betrokkenheid bij de wereld buiten het eigen land. In het volgende hoofdstuk staan we uitvoerig stil bij wereldburgerschap en onderwijs. Maar eerst nemen we de term wereldburgerschap nog eens onder de loep.
Wat wereldburgerschap ook precies moge zijn, het is in ieder geval niet de uitvergroting naar mondiale schaal van het nationale burgerschap, zoals we dat bijvoorbeeld in West-Europese landen kennen. Als we dit burgerschap opvatten als een historisch bevochten ‘contract’ tussen een staat en zijn burgers, met daaraan verbonden rechten en plichten, dan laat zulk burgerschap zich niet naar wereldniveau vertalen. Er is immers geen wereldregering die een dergelijk contract met alle wereldburgers zou kunnen aangaan en er is ook geen enkele ontwikkeling waar te nemen in de richting van zo’n wereldregering.14 Juridisch gefundeerd burgerschap, met alle rechten en plichten van dien, heeft uitsluitend betekenis op het niveau van naties en heeft van land tot land ook een verschillende inhoud. Dit ontbreken van een wereldbestuur heeft ook gevolgen voor het functioneren van de mondiale civil society. Burgers die internationaal actief zijn, moeten uiteindelijk toch nationale staten beïnvloeden die de rechten en plichten van burgers immers bepalen en die – al dan niet gezamenlijk – tot actie kunnen besluiten.15
Burgerschap is bij uitstek een begrip dat insluiting en uitsluiting suggereert. Door het toevallige feit van geboorte in een land heeft men bepaalde rechten die niet-burgers van dat land niet hebben. In dit verband is wereldburgerschap een interessante term, althans in metaforische zin, want het woord suggereert dat de tweedeling insluiting-uitsluiting wordt overstegen.16 Want wie kan van het wereldburgerschap worden uitgesloten? Als ‘burger’ van de wereld heeft immers iedereen bepaalde rechten, al kunnen die niet door enig wereldbestuur worden afgedwongen: mensenrechten zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, of basale sociaal-economische rechten zoals vastgelegd in de ambitie van de millenniumdoelen. Helaas blijven dergelijke rechten voor miljoenen mensen een abstracte zaak. Wereldburgers, mensen die actief deel uitmaken van de internationale samenleving, zullen vinden dat alle mensen daadwerkelijk over zulke rechten zouden moeten beschikken. Zo opgevat, impliceert wereldburgerschap een ethische stellingname.17
Niet alleen rechten maken deel uit van burgerschap, maar ook plichten. Nationale burgerplichten kunnen juridisch zijn vastgelegd, zoals de dienstplicht, stemplicht of belastingplicht. Burgerplichten zijn echter in belangrijke mate ook morele verplichtingen, zoals het in acht nemen van algemeen geaccepteerde gedragscodes en het ontwikkelen en in praktijk brengen van maatschappelijke betrokkenheid, in welke vorm dan ook. Zoals gezegd vinden Nederlandse burgers zelf in meerderheid dat maatschappelijke betrokkenheid een essentieel kenmerk is van goed burgerschap. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is “sociale betrokkenheid” oftewel “inzet voor de gemeenschap en voor mensen die het minder hebben” de kern van wat wij zelf belangrijk vinden aan burgerschap.18 Trekken we deze lijn door, dan ligt in de term wereldburgerschap besloten dat een dergelijke betrokkenheid en inzet zich tot mensen buiten onze landsgrenzen zou moeten uitstrekken. Dat is ook precies hoe wereldburgerschap door NCDO wordt gedefinieerd.
We zouden ons ook de vraag kunnen stellen: wie of wat kan de rol van wereldburger vervullen? Burgers zijn altijd individuen, maar geldt dat ook voor wereldburgers? Veel grote bedrijven noemen zich wereldburger en doen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ontwikkelingsorganisaties, vooral de internationale, noemen zich ook wel de ‘burgers’ van de internationale civil society.19 Dat moge zo zijn, maar in dit rapport hebben we individuele mensen voor ogen als wereldburgers: verankerd in hun lokale, nationale of transnationale verbanden, maar met oog voor en betrokkenheid bij de gebeurtenissen in andere delen van de wereld.
Tot slot nog het volgende: net zoals over nationaal burgerschap heel verschillend kan worden gedacht, geldt dit ook voor wereldburgerschap. Amerikaans burgerschap heeft een andere inhoud, traditie en rechtsfilosofische basis dan bijvoorbeeld Duits of Zuid-Afrikaans burgerschap. Ook kunnen er tussen landen grote verschillen zijn in sociale rechten van burgers. Die verschillen hebben niet alleen te maken met de welvaart van landen, maar ook met de politieke filosofie. In het verlengde hiervan kan ook wereldburgerschap op meerdere manieren worden opgevat. Het is hier niet de plaats om daar uitvoerig op in te gaan. Voor belangstellenden: het tijdschrift Citizenship Studies is een rijke bron van dergelijke debatten, zowel over burgerschap in algemene zin als over wereldburgerschap.20
Al met al is wereldburgerschap zeker geen burgerschap in de gangbare juridische zin. Maar er zijn wel degelijk elementen van burgerschap die zich goed laten vertalen naar mondiaal niveau. In de eerste plaats is dit het idee dat er rechten zijn (mensenrechten) die voor iedere mens gelden. In de tweede plaats gaat het om de morele verplichting dat we ons oriënteren op de internationale samenleving waarvan we deel uitmaken en dat we daaraan – in welke vorm ook – consequenties verbinden. Welke consequenties dat zijn, kan van persoon tot persoon verschillen. Het kan gaan om bewust consumptiegedrag, een open en niet-discriminerende houding in de eigen samenleving, een actieve opstelling als participerend burger, weloverwogen stemgedrag, inzet voor een ontwikkelingsproject, of wat dan ook.
Noten
- De redevoering van prinses Máxima is na te lezen op www.koninklijkhuis.nl onder Actueel resp. Toespraken. In het maatschappelijk debat over de toespraak speelde publicist en hoogleraar Paul Scheffer een grote rol, die in zijn boek Het land van aankomst juist pleit voor nieuwe vormen van “nationale binding” (Scheffer 2007).
- Wetenschappelijke Raad 2007, p. 24.
- Zie bijvoorbeeld het debat tussen Amartya Sen en Kwame Appiah in Gorelick 2006. De geo-ethische basishouding van wereldburgerschap is onder meer besproken in Stoddard & Cornwell 2003.
- Van der Lelij e.a. 2008. Enkele andere recente studies van Motivaction op dit vlak zijn: Lampert e.a. 2007, Van der Lelij e.a. 2007, Metaal en Van der Lelij 2007. Deze rapporten zijn te raadplegen op www.ncdo.nl onder ‘Ons kenniscentrum’ (zowel samenvattingen als complete teksten).
- Dekker & De Hart 2005.
- Wetenschappelijke Raad 2007, p. 24.
- Zie het bekende essay ‘Patriotism and cosmopolitanism’ van Martha Nussbaum (1994). De aangehaalde mening van jongeren is beschreven in Beneker & Van der Vaart 2008, p. 5.
- Een dergelijke tweedeling in de samenleving als gevolg van neoliberale globalisering is onder meer goed beschreven door Baumann (1999). In Nederland is de kwestie bijvoorbeeld aan de orde gesteld door Thomas von der Dunk (2004) en Rein Heijne (2006).
- North-South Centre 2005. Voor het onderzoek onder basisschoolleerlingen zie Zondervan 2007.
- Zie het onderzoek van Meerman (2007).
- Een recent SCP-rapport met veel gegevens over maatschappelijke participatie is Bijl e.a. 2007 (hoofdstuk 7). Over praktisch idealisme verscheen Van den Berg & Koers 2003. Over het onderwerp woedde een verhit debat in NRC Handelsblad en De Volkskrant in 2005; zie bijvoorbeeld Nieuwenhuis 2005.
- Van der Velden 2007.
- Voor een grondige en multidisciplinaire analyse van het begrip wereldburgerschap zie Dower & Williams 2002.
- Armstrong 2006.
- John Urry (1999) stelt hierover een aantal indringende vragen. Bijvoorbeeld: als burgerschap bestaat bij de gratie van insluiting en uitsluiting, staan wereldburgers dan tegenover bewoners van de wereld die zich geen wereldburger ‘voelen’?
- Over ethiek in een globaliserende wereld zie Singer 2002.
- Dekker & De Hart 2005, p. 80.
- Welke actoren mogelijk ‘wereldburger’ genoemd kunnen worden en welke logische en inhoudelijke problemen vastzitten aan zulke opgerekte ideeën van burgerschap, is onder meer besproken in Beneker & Van der Vaart 2006.
- Enkele voorbeelden uit Citizenship Studies moeten hier volstaan. Nyers (2004) gaat in op wat de huidige preoccupatie met veiligheid voor burgerschap betekent. Dean (2004) bespreekt de ongemakkelijke relatie tussen solidariteit en marktdenken in het Europese denken over burgerschap, in het bijzonder in Groot-Brittannië. Het debat over wat wereldburgerschap zou kunnen inhouden, is onder meer te vinden bij Arneil 2007, Bowden 2003 en Schattle 2005.
